Misschien is het probleem niet dat er te weinig plek is, maar dat we te weinig loslaten. Te weinig stoppen. Te weinig afronden. Alsof blijven bestaan belangrijker is geworden dan blijven kloppen.

Opruimdrang, lente voor loslaten

Uitgeput zit ik op de bank, met mijn kat op schoot en mijn hoofd vol. Niet omdat ik te weinig heb gedaan, maar juist omdat ik weer in die stand zit waarin de lente zich aandient en alles anders moet. Frisser, lichter, opgeruimder. Alsof mijn hele systeem roept: dit kan beter, dit kan weg, dit klopt niet meer. De winter is voor naar binnen keren, de lente is voor schoon schip maken. 

Dus sleep ik keukenkastjes naar mijn tuinhuis, want daar ga ik verbouwen. Natuurlijk ga ik verbouwen. En natuurlijk neem ik me voor om een week niet te werken, zoals ik dat altijd rond deze tijd doe. Normaal gesproken ver weg, in de zon, met afstand. Nu gewoon hier, met een schroefboormachine en een hoofd dat nog steeds aanstaat. Want zelfs op de bank, zogenaamd vrij, check ik mijn mail. Zo ben ik. Niet echt vrij. En eerlijk? Dat is oké, dat is al jaren zo. En dit veranderen geeft misschien meer stres dan accepteren dat ik mijn werk en verantwoordelijkheid nooit helemaal los kan of wil laten.

In mijn inbox zie ik een aankondiging van een groot jeugdtheater gezelschap. Het is half april 2026 en er volgt aanbod voor seizoen 2027–2028. Ik lees het nog een keer, alsof ik het verkeerd zie. En daar komt het: irritatie, verslagenheid of eigenlijk gewoon boosheid. Want dit is dus waar we zijn beland. Tijdens corona omarmde de hele sector de vertraging en meer vrijheid om in te spelen op het moment. Maar in werkelijkheid zijn we enkel gaan versnellen en is het haantje de voorste wat telt. Hoe eerder je roept wat je gaat maken, hoe groter de kans dat je geboekt wordt. En dat spel kunnen alleen de grote gezelschappen spelen, met geld, met zekerheid en met een lange adem. Zij kunnen drie jaar vooruitdenken, of eigenlijk: drie jaar vooruit verkopen. De rest heeft een focus van project naar project, maar moet wel mee doen, willen ze kunnen werken.

Programmeurs passen zich aan, want als je wacht, ben je te laat. Dan is het al vol. Want met de korte speelperiodes van twee maanden, die ivm fair practice bijna een vereiste zijn. Zijn we maar 8 vrije zondagen beschikbaar. Dus rat-race!
Programmeurs en gezelschappen gaan steeds eerder en steeds eerder hun plannen promoten en verkoop starten. Daardoor wordt er geprogrammeerd op een titel, op een pr tekst, op een gevoel. Niet op een voorstelling. Niet op wat het echt is of gaat worden, of nog kan veranderen.

Maar hoe weet je dat het plan, met pr tekst en beeld wat je maakt in begin 2026 een voorstelling is die in 2028 nog klopt, in een wereld die elke maand anders voelt? Hoeveel ruimte is er dan om bij te sturen in het proces? We dachten een 6+ maar na het maken voelt het toch wat meer 8+. Dat kan niet, maar we doen alsof het geen probleem is. Ondertussen vragen we makers om het nu al te bedenken, vast te leggen en concreet te maken, terwijl de voorstelling die ze nu aan het maken zijn misschien nog niet af is, nog niet gespeeld, nog niet gevoeld voor het publiek.

Onder die irritatie zit nog iets anders: overaanbod. Er wordt meer gemaakt dan dat er publiek is. Punt.
En het gekke is: niemand stopt. Als de subsidie stopt, stopt het gezelschap niet. We gaan door, met nieuwe plannen, nieuwe routes en nieuwe constructies. Tegelijkertijd komen er nieuwe makers bij die terecht een kans krijgen, met subsidie, met plannen en met dromen. Dus de sector groeit en groeit en groeit.

Deze week zat ik na een succesvolle eerste voorstelling ergens op een terras, in de zon met een maker na te praten. En ik hoor mezelf zeggen, iets wat ik nog niet eerder zo hardop had gedacht: misschien is het probleem niet dat er te weinig plek is, maar dat er te weinig wordt losgelaten, opgegeven en gestopt.
Want waarom blijven we gezelschappen als bedrijven zien die moeten blijven bestaan? Als de maker, artistieke leiding, kern, ziel weg is, wat blijft er dan eigenlijk over? Is het dan nog hetzelfde gezelschap, of houden we iets in stand wat zijn noodzaak en bestaansrecht misschien kwijt is?

In onze sector is het heel normaal dat een artistiek leider vertrekt en dat er gewoon iemand anders komt, alsof je een functie vervangt. Maar een gezelschap een artistieke signature is geen functie. Het is een visie, een stem, een ziel, een noodzaak. En als die weg is, is het misschien gewoon klaar. Dat is geen falen, dat is afronden. En ruimte bieden voor nieuwe visies, stemmen en zielen.

Ik denk aan makers uit mijn stal die wél stopten. Die zeiden dat ze niks meer te vertellen hadden, of dat ze hebben verteld wat ze wilden vertellen. Succesvol, volle zalen, structurele subsidie, en toch stoppen. Omdat het klopt. Omdat je klaar bent. Omdat doorgaan om het doorgaan geen reden is en zeker niet iets waar het beperkte budget naar toe zou moeten gaan. Zij konden ook een vacature plaatsen met gezelschap blabla zoekt nieuwe artistieke leider. Maar eerlijk vind ik dit wel de meest professionele keuze die er is. Maar het vraagt iets wat we niet zo goed kunnen: loslaten en afronden.

Niet blijven hangen in wat was, niet koste wat kost blijven bestaan en niet steeds harder gaan rennen in een systeem dat zichzelf opjaagt. Het is toch de metafoor van de oude auto waar al zoveel aan verbouwd en versleuteld is. Wanneer laat je die gaan als je zoveel geïnvesteerd hebt. Of de vraag: een boot waarvan elke plank vervangen is, is het nog dezelfde boot? En wanneer je van de oude planken een nieuwe boot maakt, welke boot is dan het meest de oude boot?
Want die ene artistiek leider gaat vaak naar een ander groter gezelschap, daar gaan ze vanuit hun signature nieuwe voorstellingen maken. En wat nemen ze mee? Juist, hun favoriete team leden. Dus je ziet dezelfde makers onder een andere naam een vergelijkbaar product maken. Dus ook hierdoor aanbod dat groeit en groeit. En we beconcurreren elkaar voor een plekje richting publiek.

Dus dat is wat er nu gebeurt: eerder programmeren, meer maken, zichtbaarder zijn, harder schreeuwen om plek. En ondertussen raken we iets kwijt. De connectie met het nu, wat is goed omdat het nu relevant is, wat wil mijn publiek nu zien. Welke makers vernieuwen nu? Wat heb ik behoefte om de ratrace van steeds sneller in de sector te doorbreken. En om te zien dat we los gaan laten, de oude autootjes niet nog een nieuwe motor geven.

Volgens mij is de lente daar precies voor bedoeld. Om oude dingen weg te doen, niet de oude dingen te repareren. Zodat nieuwe dingen kunnen ontstaan en de ruimte krijgen om in volle glorie te groeien en bloeien. Zodat er weer ruimte ontstaat voor wat er echt toe doet. Voor mij betekend het dat ik binnen ons productiehuis zaken aan het los laten ben, wij gaan geen nieuwe makers meer toevoegen aan het overaanbod. En samen met mijn gezelschappen kijk ik naar loslaten of vernieuwen. Noodzaak, passie, visie zijn de kern en moeten de kern blijven. Maar voor nu in mijn vrije week begin ik met mijn huis, tuin en inboedel.

Karin Bannink