Ik hoop dat ze overal in Nederland terechtkomt. In elke provincie. In elke zaal. Niet omdat het moet voor een vinkje, maar omdat ze het waard is. Omdat kunst niet thuishoort binnen grenzen, maar overal gezien en gehoord mag worden.

Subsidie en spreiding zonder speelruimte

Fondsen, gemeenten en provincies er zijn om kunst mogelijk te maken. Om een rijk cultureel klimaat te creëren voor hun inwoners. Het moet gaan over wat er in de zaal gebeurt, over de ervaring, over de verhalen die verteld worden, niet over de postcode van de maker. Hoe kan je het hebben over spreiding, inclusie en meerstemmigheid en tegelijkertijd beleid maken dat grenzen optrekt? Een goede voorstelling uit Overijssel is niet mooier dan een goede voorstelling uit Zuid-Holland, en andersom ook niet. Ze verdienen allebei het land.

Het is maandagmiddag. Ik zit op zolder. Regen tegen het dakraam, zo’n eindeloze, grijze regen die nergens dramatisch is maar alles doordrenkt. Op mijn scherm staan subsidieafrekeningen. Alles is al gespeeld. De voorstelling is gemaakt, ontvangen, besproken. We beloofden veertig voorstellingen, het werden er zestig. We beloofden vierduizend bezoekers, het zijn er al bijna zevenduizend en er staan er nog veertig gepland. In gewone mensentaal is dit project een succes. Lovende kritieken, volle zalen, een voorstelling die werkt. En toch zit ik hier niet om dat succes te vieren, maar om te reconstrueren wat ik twee jaar geleden precies aan welk fonds heb beloofd. Wat wilden zij horen over hun regio? Hun doelgroep? Hun spreiding? Heb ik niet te veel uitgegeven aan marketing? Of juist te weinig? Hebben we in de juiste provincies voldoende gespeeld? En zijn ze akkoord met plekken waar we nauwelijks zijn geweest? Niet omdat het project wankelt, maar omdat het systeem dat vraagt.

Halverwege die puzzel krijg ik een appje van een collega-impresario. In Overijssel krijgen programmeurs extra stimulans om Overijsselse gezelschappen te programmeren. Regionale verankering. Begrijpelijk, denk je dan. Regio’s mogen trots zijn op hun makers. Alleen eist het landelijke fonds tegelijkertijd spreiding. Wie subsidie krijgt moet door heel Nederland spelen. Noord, Zuid, Oost, West. Spreiding is belangrijk. Diversiteit is belangrijk. Meerstemmigheid is belangrijk. Maar als regio’s hun deuren sluiten voor gezelschappen van buiten, hoe verhoudt zich dat dan tot die landelijke opdracht? Aan de ene kant moet je toeren, aan de andere kant wordt lokaal programmeren financieel aantrekkelijker gemaakt. Aan de ene kant worden gezelschappen afgewezen omdat ze niet “uit de regio” komen, aan de andere kant moeten ze bewijzen dat ze overal kunnen landen. Het is beleid dat elkaar bijt en makers die daartussen staan.

En het zijn niet alleen de gesubsidieerde makers die klem zitten. Denk ook aan de maker zonder subsidie. Degene die niet per se door het hele land hoeft te toeren, maar wel zijn brood moet verdienen met speelbeurten. Die jarenlang werd geboekt op kwaliteit, op urgentie, op zeggingskracht, en die nu ineens minder kans maakt omdat hij niet uit de juiste provincie komt. Kwaliteit wordt bijzaak, herkomst wordt criterium. Als impresario word ik aangesproken op spreiding. Ik moet naar theaters en zeggen dat we eigenlijk echt nog in hun provincie moeten spelen, terwijl ik veel liever zeg dat deze voorstelling gewoon goed is. Soms helpt het om te benoemen dat een gezelschap door het Fonds Podiumkunsten is gesubsidieerd. Dan opent er een andere deur. Alsof het stempel belangrijker is dan de inhoud. Alsof legitimatie eerst via beleid moet lopen voordat kwaliteit mag spreken.

Binnen een dag zitten we met de Vereniging van Jeugdimpresariaten in een online meeting. Appjes over en weer. Wat vinden we hiervan? Kunnen we hier iets tegen doen? Het eerlijke antwoord is dat onze invloed beperkt is. We kunnen benoemen dat dit oneerlijke concurrentie vergroot, dat het de markt verstoort en dat het makers klemzet. We kunnen waarschuwen dat kwaliteit niet meer vanzelfsprekend leidend is. Maar beleid dat op meerdere tafels tegelijk wordt gemaakt, corrigeer je niet met één vergadering. Wat het wel doet, is iets in mij aanzetten. Naast vermoeidheid voel ik ook strijdlust. Omdat we het benoemen. Omdat we elkaar vinden in het besef dat dit schuurt. Omdat we als sector willen waken over wat er echt toe doet.

Want wat me het meest uitput, is niet het invullen van een spreadsheet. Het is de stapeling van eisen. Landelijke spreiding én regionale voorkeuren. Subsidieformats, bewijsdrang, verantwoording op detailniveau. Alsof we voortdurend moeten aantonen dat kunst bestaansrecht heeft. Alsof we bang zijn dat ergens vierduizend euro verkeerd wordt besteed, terwijl iedereen weet dat dat geld gewoon in repetities, spelers, techniek en marketing zit. We zijn zó veel tijd kwijt aan beleid maken, toetsen, verantwoorden en corrigeren, dat je je soms afvraagt hoeveel energie er nog overblijft voor het maken zelf. Ik kijk ondertussen ook naar mijn eigen bedrijf. Waar verspillen wij energie? Wat doen wij omdat het moet en niet omdat het bijdraagt aan wat we willen bereiken?

Ik geloof dat fondsen, gemeenten en provincies er zijn om kunst mogelijk te maken. Om een rijk cultureel klimaat te creëren voor hun inwoners. Het moet gaan over wat er in de zaal gebeurt, over de ervaring, over de verhalen die verteld worden, niet over de postcode van de maker. Hoe kan je het hebben over spreiding, inclusie en meerstemmigheid en tegelijkertijd beleid maken dat grenzen optrekt? Een goede voorstelling uit Overijssel is niet mooier dan een goede voorstelling uit Zuid-Holland, en andersom ook niet. Ze verdienen allebei het land.

En nu ik dit schrijf, zit ik weer op mijn zolderkamer. Het regent opnieuw. Maar vandaag heb ik alle subsidieverantwoordingen de deur uit gedaan. Ik heb overal aan alle eisen voldaan. Elk fonds heeft zijn antwoord gekregen, elke provincie zijn cijfers, elke belofte zijn toelichting. En terwijl ik de laatste mail verstuurde, voelde ik niet alleen opluchting, maar ook trots. Trots dat dit project mede dankzij die subsidies is gemaakt. Dat het er staat. Dat het nog jaren gaat touren. Dat het een fantastische, meerstemmige voorstelling is die mensen raakt. Ik hoop dat ze overal in Nederland terechtkomt. In elke provincie. In elke zaal. Niet omdat het moet voor een vinkje, maar omdat ze het waard is. Omdat kunst niet thuishoort binnen grenzen, maar overal gezien en gehoord mag worden.

Karin Bannink