Koorts, Kaders en Kwartjes
Ik lig op de bank onder een deken. Ik heb net anderhalf uur bijgepraat met mijn beste vriendin over van alles en nog wat. Waar we vroeger vooral samen op pad gingen, naar theater, festivals of de kroeg, hebben we de afgelopen tijd de gewoonte ontwikkeld om vanuit bed of onder een dekentje op de bank te FaceTimen. Gewoon een beetje praten, mijmeren en pruttelen over het leven. Nu lig ik daar nog over na te sudderen terwijl mijn koorts langzaam weer oploopt, want mijn griep blijkt hardnekkiger dan ikzelf. En misschien is dat maar goed ook, want ik ben normaal namelijk ontzettend slecht in stilzitten.
Ik ben nogal van het doorgaan. Idee? Gaan. Probleem? Oplossen. Inspiratie? Meteen vijf nieuwe plannen erbij. En eerlijk gezegd zie je dat volgens mij ook terug in mijn werk. In de brochures van Buro Bannink. In de manier waarop ik praat over makers. In hoe groot het aanbod inmiddels is geworden. Overal enthousiasme, energie, ideeën en mogelijkheden. Wat ik overigens nog steeds fantastisch vind, laat dat duidelijk zijn. Ik hou van bevlogenheid. Van nieuwe plannen. Van mensen die ergens vol voor gaan. Maar ik merk ook steeds vaker dat groei niet alleen vraagt om meer energie. Soms vraagt het juist om meer rust.
Deze week kwam alles daarin een beetje samen. Althans, voor zover je van samenkomen kan spreken wanneer je grotendeels als een snotterig hoopje mens onder een dekbed ligt met een doos tissues, twee poezen en een kop thee die om de drie minuten koud wordt omdat je weer ergens over aan het nadenken bent.
Want precies in deze week kregen we de terugkoppeling van een merk- en marktonderzoek waar we de afgelopen tijd mee bezig zijn geweest. Ik heb altijd een enorme behoefte gehad om mijn keuzes op onderzoek te baseren. Om uit mijn eigen bubbel te stappen en vanaf een afstand naar ons bedrijf te kijken of te laten kijken. Omdat ik weet dat mijn blik op mijn werk, mijn bedrijf te gekleurd is. Juist daarom wilde ik weten: hoe kijken anderen eigenlijk naar ons?
Maandag zat ik met negenendertig graden koorts tegenover Jeroen, de onderzoeker. Ik weet nog steeds niet helemaal hoe ik daar terecht ben gekomen. Volgens mij reed ik op pure paracetamol en koppigheid naar kantoor. Hij begon letterlijk met: “Ik kom in vrede.” Alsof ik elk moment huilend onder de tafel kon verdwijnen zodra hij kritiek zou geven. Terwijl kritiek en feedback juist de voedingsbodem zijn waar ik soms naar hunker, zo ook nu!
Natuurlijk is het niet leuk om te horen dat onze bereikbaarheid soms beter kan. Of dat andere impresariaten sneller reageren. Of dat sommige mensen ons aanbod niet helemaal begrijpen. Nee, dat streelt je ego niet bepaald terwijl je ondertussen met een kloppend hoofd probeert professioneel te kijken terwijl je lichaam voelt alsof het inwendig aan het fermenteren is. Maar tegelijkertijd dacht ik alleen maar: oh heerlijk. Ruimte. Ruimte om dingen scherper te maken. Ruimte om eindelijk woorden te geven aan iets wat ik blijkbaar al heel lang voelde.
Want terwijl hij dingen terugkoppelde, vielen er bij mij voortdurend kwartjes. Waarom staat al ons aanbod eigenlijk op één grote hoop? Waarom communiceren we alsof iedereen dezelfde vraag heeft? Waarom probeer ik tegelijkertijd vlakkevloer
theaters, scholen, festivals, concertgebouwen en cultuurbemiddelaars op exact dezelfde manier aan te spreken?
Misschien omdat ik gewoon heel veel wil. Omdat ik echt geloof in al die makers. Omdat ik zie hoe goed het werk is. Omdat ik vind dat een kleine foyerproductie net zo waardevol kan zijn als een grote middenzaalvoorstelling. Omdat ik jongeren wil bereiken met urgente voorstellingen én nieuwe makers een plek wil geven én kinderen verliefd wil laten worden op theater.
Maar ik besef me ook dat ik het dus ontzettend ingewikkeld vind om kaders aan te brengen. Omdat dat ergens voelt alsof ik voor een ander ga bepalen wat goed bij hen past. Alsof ik hun keuzevrijheid inperk. Het liefst spreek ik iedereen persoonlijk. Hoor ik waar iemand naar zoekt en maak ik vanuit daar een match. Dan hoeft niemand in een hokje en kan alles open blijven. Alleen werkt dat natuurlijk prima zolang je een klein aanbod hebt en iedereen persoonlijk kan begeleiden. Maar met vijfendertig gezelschappen, allemaal met een totaal eigen artistieke signatuur, verschillende doelgroepen en compleet andere speelcontexten, werkt dat niet meer helemaal zo overzichtelijk.
Misschien is dat dus ook wel de volgende stap waar ik tegenaan loop. Dat ik na bijna vijftien jaar impresario zijn misschien ook gewoon mag erkennen dat ik het wél weet. Dat ik ondertussen echt wel zie welke kwaliteit waar ligt. Voor wie bepaalde voorstellingen perfect zijn en waar iets het beste tot zijn recht komt. Dat ervaring ook iets waard is. Dat ik niet alles open hoef te laten uit angst dat ik iemand tekortdoe.
En het bizarre is dus dat ik al die inzichten kreeg op het moment dat ik letterlijk niks kon doen. Ik kon niet meteen een nieuwe website bouwen. Geen brainstormsessie organiseren. Geen plannen uitwerken. Ik kon alleen maar liggen. Pruttelen. Sudderen. Nadenken. Iets waar ik normaal eigenlijk helemaal geen geduld voor heb.
Maar misschien is dat precies wat deze periode mij probeert te leren. Dat niet alles direct opgelost hoeft te worden. Dat niet elke ingeving meteen een actieplan nodig heeft. Dat rust niet hetzelfde is als stilstand. En dat reflectie soms juist de meest productieve vorm van beweging is.
Ik merk namelijk dat ik daar met mijn team al langer naartoe beweeg. Naar meer rust in de bedrijfsvoering. Meer helderheid. Meer richting. Minder overal tegelijk willen zijn. Niet minder bevlogen, niet minder energiek, maar wel met meer focus. Meer ruimte. Meer adem.
En eerlijk? Dat zal waarschijnlijk altijd een uitdaging blijven voor iemand zoals ik. Ik ben niet opeens veranderd in een rustig kabbelend beekje omdat ik een week met griep op de bank lag. Ik ben nog steeds een enthousiast stuiterballetje met vijftien ideeën voordat de koffie op is. Maar misschien hoeft die energie niet weg. Misschien moet die alleen af en toe even sudderen voordat ik weer vol gas vooruitschiet.
Terwijl mijn lichaam deze week compleet uitgecheckt was, begon er in mijn hoofd namelijk iets nieuws te waaien. Geen paniek. Geen onrust. Maar een frisse wind met richting. En voor het eerst in lange tijd voelde dat niet alsof ik achter iets aan moest rennen, maar alsof ik eindelijk even stil genoeg lag om te zien waar ik eigenlijk naartoe wil.
Karin Bannink










